Berichtgeving New York Times over de massamoord op Ibeqqoyen

Op 6 juni 1898 berichtte New York Times over de Marokkaanse massamoord op de Riffijnse stam Ibeqqoyen. Het nieuwsbericht droeg de titel ‘Riffijnse piraten afgeslacht, de troepen van de sultan van Marokko vallen de stamleden aan op een verraderlijke manier’.

New York Times meldt dat de stamleden van Ibaqqoyen zich verzamelden om een boete te betalen aan de Allawieten toen de Marokkaanse soldaten opeens op ze begonnen te schieten. De Amerikaanse krant zegt dat 25 hoofden, waarschijnlijk van de leiders van de stam, zijn verzameld om ze te presenteren aan de Marokkaanse sultan in Fez.

Een beknopt bericht van een tragedie die bekend staat bij de Ibeqqoyen als ‘assegwas mig tachin ibeqqoyen’ (het jaar waarin de Ibeqqoyen werden gedecimeerd).

De Ibaqqoyen stonden bekend als uitstekende zeevaarders die Europese schepen die te dichtbij de Riffijnse kust kwamen belaagden. Onder druk van de Europeanen organiseerde de Allawitische sultan een militaire expeditie naar Al Hoceima om deze Riffijnse stam te straffen.

De eerste strafexpeditie mislukte en de soldaten van de Allawiet moesten terug vluchten naar Fez. Ibeqqoyen, die ook handel dreven met Europeanen, waren beter bewapend dankzij hun contacten met Europese wapensmokkelaars. De strijders van Ibeqqoyen waren ook betere schutters en gedreven omdat ze hun gebied en hun families verdedigden.

De Allawitische sultan stuurde algauw een tweede strafexpeditie onder leiding van Bouchta El Baghdadi. De Marokkaanse soldaten konden de stam echter niet penetreren daarom kwam El Baghdadi met een truc om de strijders van Ibaqqoyen in de val te lokken.
Bouchta El Baghdadi stuurde een boodschapper naar Ibeqqoyen om ze uit te nodigen voor onderhandelingen. El Baghdadi vroeg de strijders naar zijn hoofdkwartier te komen om de ruzie bij te leggen.
Honderden strijders van Ibeqqoyen vertrouwden Bouchta El Baghdadi en kwamen naar zijn hoofdkwartier om vrede te sluiten. Slechts enkele strijders vertrouwden het niet en bleven achter.

De onderhandelingen tussen de stamleiders en El Baghdadi begonnen en de laatste wilde tijd winnen omdat hij zijn soldaten de opdracht gaf om de Ibeqqoyen uit te schakelen tijdens het gebed. Toen het tijd werd voor het gebed legden de strijders van Ibeqqoyen hun wapens neer om te bidden, op dat moment werden ze van alle kanten geschoten door de Marokkaanse soldaten.

De soldaten van de Allawitische sultan trokken hierna de stam binnen om massaslachtingen te beginnen tegen onschuldige burgers. Slechts een deel kon ontsnappen naar de omringende gebieden. Huizen en gewassen werden in brand gestoken en dieren en voedsel buitgemaakt of vernietigd om de overlevenden te verhongeren. Een deel van de inwoners stapte op een Franse boot die langs vaarde en eindigden in de omgeving van de Algerijnse stad Ohran dat onder Franse bezetting was. Heddo Abeqqoy, de eerste gevechtspiloot van Arif republiek in de jaren twintig van de vorige eeuw, was een nazaat van deze Riffijnse vluchtelingen.