Berichtgeving over Riffijnse aanval op Nederlands schip in 1895

In april 1895 voer een Nederlands schip in de Riffijnse wateren toen het aangevallen werd door zeevaarders van de stam Ibeqqoyen.
De rederij ‘Te Oude Pekela’, eigenaar van het schip Anna, kreeg op 7 mei 1895 de volgende telegram vanuit het consulaat te Gibraltar: ‘Mijn telegram bevestigende, kan ik nader melden dat de schoener ANNA geënterd is door Barbarijsche zeeschuimers, 7 mijl van Alhucenes (Al Hoceïma) op zondag rond twee uur dertig. Kapt. Velvis is vermoord, stuurman Smit gevaarlijk gewond, scheepsprovisie, tuig en een gedeelte der lading is geplunderd. Het schip ligt ten anker in Gibraltar. Sein heden instructie.’

Verschillende Nederlandse kranten hebben toentertijd bericht over deze aanval. Een uitgebreid artikel hierover werd overgenomen van de Engelse krant Globe te Gibraltar. Een verslaggever van deze krant had de bemanning van Anna geïnterviewd.

Het schip Anna werd door tegenwind genoodzaakt dichter bij de Riffijnse kust te varen, waar het op zondag 23 april door windstilte overvallen werd. De bemanning van het schip zagen een boot naderen met zeven Riffijnen aan boord. De Riffijnen werden in de Nederlandse kranten omschreven als ‘woeste Moren van het Rif, met naakt bovenlijf, kaalgeschoren hoofden waarop een bosje haar was overgelaten’. Volgens de Nederlandse media waren de Riffijnse zeevaarders bewapend met Martini-Henry geweren en lange messen.

De Riffijnen riepen de kapitein Velvis in het Spaans toe de zeilen te strijken, wat de laatste weigerde. De Nederlandse media meldden dat de Riffijnen hierna begonnen te schieten en dat de bemanning van het Nederlandse schip zich bewapenden met bijlen en koevoeten om de aanval af te slaan. Volgens de media werd de eerste Moor die aan boord poogde te komen door stuurman Smit neergeveld, de laatste werd zelf getroffen door een kogel en stortte neer op het dek.

‘De kapitein loste zijn revolver, het enige vuurwapen aan boord, maar werd zelf reeds na het eerste schot aan de hand gekwetst. De stuurman, inmiddels naar achter gekropen, kreeg nog 4 schotwonden en bleef voor dood liggen, waarop ook de kapitein met een kogel in de buik nederviel. Bovendien naderden nog meer boten van de kust met wel 120 ‘bandieten’, zodat verdere tegenstand onmogelijk werd’, vervolgde Provinciale Groninger Courant in een artikel gepubliceerd op 10 mei 1895.

Volgens Globe werd het schip na de overgave geplunderd. Daarover schreef Provinciale Groninger Courant het volgende: ‘De Moren lieten de scheepsboot neer en laadden vol beddengoed, keukengerei, gereedschappen, kompassen en zeilen, olie van de lading en al wat aan levensmiddelen te vinden was, behalve pekelvlees, tot de kajuitsdeuren toe en de kleren der opvarenden, die hun van het lijf werden gerukt. Steeds voeren boten heen en weer om de buit in veiligheid te brengen.’

Het schip wist ’s avonds weg te varen van de Riffijnse kust toen de wind opstak terwijl de Riffijnen aan wal waren. De bemanning staken vuren af om de aandacht te trekken van andere Europese schepen, maar de poging was vruchteloos. De volgende dag werd het schip opgemerkt vanuit Gibraltar en een sleepboot bracht Anna in de Britse haven.

Provinciale Groninger Courant sloot het artikel af met het volgende: ‘De verontwaardiging te Gibraltar over deze daad van zeeroof in het gezicht van Europa is groot. Het is hoog tijd, meent de berichtgever, dat de mogendheden tezamen maatregelen nemen om aan dergelijke gruwelen een einde te maken.’

Anna was niet het enige schip dat gestraft werd nadat het de Riffijnse wateren binnenvoer. De Europese mogendheden hebben meerdere malen geklaagd bij de Allawitische sultan die zelf geen macht had over Arif. In 1898 heeft het leger van de sultan, na een eerder mislukte aanval, wraak genomen op de stam Ibeqqoyen die eeuwenlang de Riffijnse wateren beschermden tegen indringers. Nadat de strijders van Ibeqqoyen in de val werden gelokt door het Allawitische leger trokken deze soldaten moordend en vernielend de stam binnen, waarbij niet alleen mens en dier werd gedood maar ook huizen en hooibergen in brand werden gestoken.

Op 6 juni 1898 berichtte New York Times over de Marokkaanse massamoord op de Riffijnse stam Ibeqqoyen. Het nieuwsbericht droeg de titel ‘Riffijnse piraten afgeslacht, de troepen van de sultan van Marokko vallen de stamleden aan op een verraderlijke manier’.

New York Times meldt dat de stamleden van Ibaqqoyen zich verzamelden om een boete te betalen aan de Allawieten toen de Marokkaanse soldaten opeens op ze begonnen te schieten. De Amerikaanse krant zegt dat 25 hoofden, waarschijnlijk van de leiders van de stam, zijn verzameld om ze te presenteren aan de Marokkaanse sultan in Fez.

Een beknopt bericht van een tragedie die bekend staat bij de Ibeqqoyen als ‘assegwas mig tachin ibeqqoyen’ (het jaar waarin de Ibeqqoyen werden gedecimeerd).

De Ibaqqoyen stonden bekend als uitstekende zeevaarders die Europese schepen die te dichtbij de Riffijnse kust kwamen belaagden. Onder druk van de Europeanen organiseerde de Allawitische sultan een militaire expeditie naar Al Hoceima om deze Riffijnse stam te straffen.

De eerste strafexpeditie mislukte en de soldaten van de Allawiet moesten terug vluchten naar Fez. Ibeqqoyen, die ook handel dreven met Europeanen, waren beter bewapend dankzij hun contacten met Europese wapensmokkelaars. De strijders van Ibeqqoyen waren ook betere schutters en gedreven omdat ze hun gebied en hun families verdedigden.

De Allawitische sultan stuurde algauw een tweede strafexpeditie onder leiding van Bouchta El Baghdadi. De Marokkaanse soldaten konden de stam echter niet penetreren daarom kwam El Baghdadi met een truc om de strijders van Ibaqqoyen in de val te lokken.
Bouchta El Baghdadi stuurde een boodschapper naar Ibeqqoyen om ze uit te nodigen voor onderhandelingen. El Baghdadi vroeg de strijders naar zijn hoofdkwartier te komen om de ruzie bij te leggen.
Honderden strijders van Ibeqqoyen vertrouwden Bouchta El Baghdadi en kwamen naar zijn hoofdkwartier om vrede te sluiten. Slechts enkele strijders vertrouwden het niet en bleven achter.

De onderhandelingen tussen de stamleiders en El Baghdadi begonnen en de laatste wilde tijd winnen omdat hij zijn soldaten de opdracht gaf om de Ibeqqoyen uit te schakelen tijdens het gebed. Toen het tijd werd voor het gebed legden de strijders van Ibeqqoyen hun wapens neer om te bidden, op dat moment werden ze van alle kanten geschoten door de Marokkaanse soldaten.

De soldaten van de Allawitische sultan trokken hierna de stam binnen om massaslachtingen te verrichten tegen onschuldige burgers. Slechts een deel kon ontsnappen naar de omringende gebieden. Huizen en gewassen werden in brand gestoken en dieren en voedsel buitgemaakt of vernietigd om de overlevenden te verhongeren. Een deel van de inwoners stapte op een Franse boot die langs voer en eindigden in de omgeving van de Algerijnse stad Ohran dat onder Franse bezetting was. Heddo Abeqqoy, de eerste gevechtspiloot van Arif republiek in de jaren twintig van de vorige eeuw, was een nazaat van deze Riffijnse vluchtelingen.