De slag bij Kudia Tahar, nabij Tetouan, tussen Spanje en Arif

In juni 1925 brak de oorlog uit tussen Arif republiek en Frankrijk. In dezelfde maand begonnen Spanje en Frankrijk gesprekken om hun krachten te bundelen tegen de Riffijnen. Spanje pleitte vanaf het begin voor een landing in de baai van Al Hoceima om ‘de bron van het probleem’ aan te pakken. Frankrijk was in het begin tegen de amfibische operatie, maar na meerdere gesprekken en de ontmoeting op 28 juni 1925 tussen de Spaanse dictator Primo de Rivera en de bevelhebber van het Franse leger in Marokko maarschalk Phillippe Pétain (latere staatshoofd van Vichy-Frankrijk), kreeg Spanje haar zin.

Het akkoord legde de basis voor de toekomstige samenwerking, wat resulteerde in de overeenkomst die ondertekend werd op 25 juli 1925, waarbij beide partijen overeenkwamen niet afzonderlijk vrede te sluiten met Arif republiek.

Ondanks de afspraak met Frankrijk informeerde Primo de Rivera de Riffijnse president over de plannen. De Spaanse dictator wilde Abdelkrim El Khattabi overhalen de landing toe te laten in ruil voor autonomie.

De Riffijnse president, die naar een volledig onafhankelijke Riffijnse staat streefde, probeerde tijd te winnen opdat de Riffijnse strijders hun oogsten konden binnenhalen. Eind augustus werd het de Riffijnse leiders duidelijk dat de amfibische operatie plaats zal vinden. Behalve het versterken van de verdediging van de kustlijn in de buurt van de hoofdstad Ajdir, probeerde het Riffijnse leger de operatie te verstoren door zelf in de aanval te gaan.

Het Riffijnse leger was enkele kilometers verwijderd van de stad Tetouan, waar de Spaanse gouverneur zetelde. De stad werd daarom verdedigd door een reeks vestingwerken die begonnen bij de monding van de rivier de Martín (Martil).
Een van deze vestingwerken was Kudia Tahar, deze Spaanse positie werd recent versterkt en verbonden met andere Spaanse posten in de omgeving. Volgens Spaanse bronnen had Kudia Tahar 130 verdedigers. Het was deze vesting die de Riffijnen kozen voor een offensief om de amfibische operatie in Al Hoceima uit te stellen.

Een groep Riffijnse commando’s infiltreerde in het Spaans gebied en verschanste zich achter de Spaanse linie. Deze commando’s kregen de opdracht Spaanse versterkingen tegen te houden.

De hoofdaanval werd uitgevoerd door een eenheid van 4 duizend Riffijnen (Spaanse bronnen). Deze eenheid werd geleid door de bekende strijder Jeriro (een Jebli die het gebied goed kende). De Riffijnen hadden 9 stukken 75 en 105 mm artillerie.

De aanval begon in de ochtend van 3 september om 05:40 met Riffijnse artilleriebeschietingen. Het vierde salvo doodde 11 Spaanse verdedigers en schakelde drie van de vier Spaanse kanonnen uit.

Toen de Spaanse legerleiding hoorde over de aanval gaf het bevel aan verschillende eenheden om de verdedigers in Kudia Tahar te versterken. Deze Spaanse eenheden begonnen verlies te lijden vanaf het moment dat ze hun kazernes verlieten. De verschanste Riffijnse commando’s die voor de aanval infiltreerden veroorzaakten zware verliezen onder de Spanjaarden.

De eenheid van Luitenant Joaquín Fuentes Pila had 22 soldaten toen het vertrok, slechts de helft kon de belegerde positie levend bereiken. Een andere eenheid, onder leiding van luitenant Ángel Sevillano Cousillas, telde 40 militairen, maar slechts 26 bereikten hun bestemming.

De gevechten gingen op 4 september door. Op deze dag verloren de Spanjaarden hun laatste werkende kanon. Een handgranaat van een Riffijnse strijder schakelde de kanon uit en doodde Fuentes Pila die leiding had over de kanonniers. Vanaf dat moment konden de Spanjaarden, die teruggebracht waren tot 48, alleen reageren met hun geweren. De Spanjaarden werden onderworpen aan hevig artillerievuur, dat de waterkannen in de positie vernietigde.

De Spaanse legerleiding, zich bewust van de ernst van de situatie, stuurde nog meer versterkingen om de belegering van Kudia Taher te breken. Een eenheid vertrok onder leiding van luitenant-kolonel Buenaventura Hernández Francés. Deze eenheid kwam onder vuur en de luitenant-kolonel en zeven lokale huurlingen werden gedood. Deze mislukking leidde ertoe dat Primo de Rivera de generaal-chef van de Ceuta-Tetuán-zone, Souza Regoyos, opdracht gaf de leiding over de operaties over te nemen.

Op 5 september verergerde de situatie voor de Spanjaarden in Kudia Tahar nadat kapitein Gómez Zaracíbar omkwam. Het bevel werd overgenomen door de gewonde luitenant Sevillano.

Op 6 september werd de situatie van de verdedigers van Kudia Tahar onhoudbaar door het tekort aan voedsel en een ernstig tekort aan water en medicijnen. Een Spaans vliegtuig worp ijs uit op de positie van de verdedigers. Het was echter levensgevaarlijk voor de Spaanse soldaten om uit hun bunkers te komen en het ijs te halen. Luitenant Sevillano zei over het watertekort: ‘de rechtvaardige verdeling van urine van de weinige runderen die we onder dekking hielden, werd gezien als een balsem’.

Op 9 september organiseerde Spanje een grote legermacht om de belegering van Kudia Tahar te breken. Spanje werd genoodzaakt eenheden die bedoeld waren voor de amfibische operatie in Al Hoceima in te zetten om Kudia Tahar te redden.

Op 11 september begonnen Spaanse elite-troepen om 8:00 een tegenoffensief om Dar Gazi in te nemen. De Spanjaarden stuitten echter op hevig verzet van de Riffijnen en konden hun gestelde doelen niet behalen. De volgende dag ging het Spaanse offensief door. Vanaf 16:00 veranderde het in een bloedig gevecht waarbij messen en handgranaten werden gebruikt. Dar Gazi viel in Spaanse handen en de dag daarop werd ook Assadan bezet door de Spanjaarden. Kudia Tahar was daarmee bevrijd.

Spanje gebruikte deze operatie om het moraal van haar soldaten te verbeteren. Primo de Rivera verkocht het als de eerste Spaanse overwinning op Abdelkrim na vier jaar bittere nederlagen te hebben geleden. Primo de Rivera was genereus in het uitreiken van onderscheidingen, in die mate dat de Spaanse historicus Juan Pando het de ‘strijd van de laureaten’ noemde.

Hoewel Spanje dit claimde als overwinning hadden de Riffijnen drie belangrijke doelen bereikt. De Riffijnse president wist tijd te winnen voor zijn strijders om hun oogsten binnen te halen. De Riffijnen hadden meer tijd om de verdedigingen rond Ajdir te versterken. Een deel van de Spaanse legereenheden die bedoeld waren voor de amfibische operatie in Al Hoceima moest ingezet worden voor de verdediging van Tetouan.

 

Foto vanuit de lucht, Kudia Tahar 24 uur na het begin van de Riffijnse aanval