Sultan weigert Riffijnse delegatie hulp tegen Spanje

Na de escalatie van de oorlog tussen Spanje en de Riffijnen in 1909 reisde een Riffijnse delegatie af naar de Allawitische sultan Abdelhafid in Fes. De delegatie bestond uit leiders van Ikker3iyen en Ait Wayagher onder leiding van Chadli.

De Riffijnse delegatie zocht steun van de sultan aangezien zijn religieuze macht erkend werd door de Riffijnen. Ook het feit dat de indringers christenen waren was een reden voor de Riffijnen om het bezoek te brengen aan het hoogste religieuze figuur van moslims in de regio. In die tijd was het gebruikelijk dat Noord-Afrikanen elkaar hielpen bij invasies gepleegd door christelijke Europeanen, zo hebben de Riffijnen de Algerijnse verzetsleider Abdelkader geholpen in zijn oorlog tegen de Fransen en de Allawieten geholpen in het bevrijden van Tanger van de Engelsen.

De sultan weigerde de Riffijnse delegatie te ontvangen. De grootvizier van de Allawiet ontving de Riffijnen en informeerde hen over de wensen van de sultan: ze krijgen geen hulp en moeten terugkeren naar Arif en de ‘rebellen’ (strijders) ervan overtuigen de wapens tegen Spanje neer te leggen. Chadli antwoordde de vertegenwoordiger van de sultan dat de Riffijnen hun wapens niet zullen neerleggen totdat de Spanjaarden terugkeren naar hun oude grenzen in Melilla.

De Makhzen bood verblijf aan de Riffijnse delegatie maar werd uiteindelijk geweigerd. De Riffijnen kozen liever om in het ‘Moulay Driss-maraboet’ te verblijven. De Spaanse consul in Fes speelde deze informatie door naar Madrid via de Spaanse vertegenwoordiger in Tanger, hij vertelde dat de Riffijnen eigen verblijf kozen voor hun veiligheid. Met de massamoord op de Ibeqqoyen in 1898, nadat de notabelen van deze stam vertrouwden op de beloftes van de Makhzen. En het verraad van de Makhzen in 1893 tijdens de eerste Riffijns-Spaanse oorlog rondom Melilla, nog vers in het geheugen hadden Chadli en zijn metgezellen geen vertrouwen in de Makhzen.

De voorzichtigheid van de Riffijnen was niet misplaatst noch goed genoeg. Kort daarna werd bekend gemaakt dat Chadli overleed aan buiktyfus. De consul van Spanje in Fes meldde zijn dood in december 1909. Spaanse media van toen en historici van nu spreken over mogelijke liquidatie.

Chadli kwam uit Mazuza (Nador) en was de rechterhand van de leider van het Riffijnse verzet Mohamed Amezian (n Azghenghan). Na de grote overwinning van de Riffijnen op de Spanjaarden in de ‘Aghzar n Ouchen’ (rivier van de wolf) versterkte Spanje haar militaire aanwezigheid in Melilla. Troepen werden uit het vasteland naar Melilla afgescheept als voorbereiding op een grote vergeldingsaanval. De Riffijnen zagen de oorlogsboten en soldaten verzamelen in Melilla en poogden zelf om hun positie te versterken. De delegatie naar Fes was hoopvol omdat in datzelfde jaar de pretender Bouhmara werd gedood nadat zijn leger gedecimeerd werd in Ait Wayagher en Mohamed Amezian hem uit zijn hoofdstad Selouane had verjaagd.

Hieronder de vertaling van een fragment hierover zoals werd vermeld in het boek ‘Valencianos en la guerra del Rif 1909‘:
Op 19 oktober zond de gevolmachtigde minister van Spanje in Tanger per telegram de informatie door die de Spaanse consul hem vanuit Fes had gestuurd: Chadli was in deze stad aangekomen “op zoek naar wapens en geld”. Chadli en zijn metgezellen – van Ikker3iyen en Ait Wayagher – werden niet ontvangen door de sultan maar door de grootvizier. Hij was degene die hen vertelde dat het onmogelijk was hen enige materiële hulp te verlenen en bracht de wensen van de sultan op hen over: dat ze terugkeren naar Arif en de rebellen ervan overtuigen de wapens tegen Spanje neer te leggen.

De Spaanse consul in Fes onderstreepte in zijn mededeling aan de minister in Tanger een zeer belangrijk feit: hoewel de Makhzen Chadli en zijn metgezellen had verwelkomd en hen gastvrijheid had geboden, kozen de Riffijnse afgezanten het verblijf in het Mulay Dris-heiligdom “voor hun persoonlijke veiligheid”.

Ook deze reis van Chadli naar Fes was bij de Valencianen via de pers bekend.

Tegen de wens van de sultan in, legde Chadli verklaringen af ​​waarin hij verzekerde dat de Riffijnen zich niet zouden overgeven voordat de Spaanse troepen zich terugtrokken naar Melilla en half december kondigde de consul van Spanje in Fes de dood van de Riffijnse leider aan ( aan buiktyfus), hoewel de twijfel over de werkelijke oorzaak van zijn dood wijdverbreid was.

Zijn abrupte verdwijning, zijn eertijds oorlogszucht tegen een verafschuwde sultan en zijn bedachtzaamheid door de gastvrijheid van de Makhzen niet te aanvaarden, wekte wijdverbreide verdenkingen op – die zelfs vandaag de dag bij historici hoogtij vieren – over de mogelijke moord op Chadli.