Riffijnen herdenken bevrijdingsdag

18 september is een belangrijke datum voor het Riffijnse volk. Op 18 september 1921 werd namelijk de onafhankelijke Arif republiek uitgeroepen. Veel Riffijnen staan er vandaag stil bij de 97ste herdenking van deze belangrijke gebeurtenis.

Arifnews herpubliceert een artikel over de oprichting van Arif republiek. Wij wensen onze lezers veel leesplezier!

Op 18 september 1921 kwamen vertegenwoordigers van verschillende Riffijnse stammen bijeen om het verloop van hun strijd tegen de bezetter te bespreken na de grote militaire overwinningen die ze hadden geboekt (Chronologie van de slag om Anoual).

Bij de vergadering werden belangrijke beslissingen genomen waaronder de volgende punten;

  • Arif werd onafhankelijk verklaard.
  • Mohend Abdelkrim Elkhattabi werd aangesteld als president (met de Riffijnse titel Moulay Mohend, betekent prins Mohend).
  • Het oprichten van een regulier leger.
  • Het oprichten van een nationale raad die alle Riffijnen vertegenwoordigt en die het werk van de regering controleert (parlement). De nationale raad kreeg ook de taak om een grondwet op te stellen.
  • 18 september 1921 werd als de Onafhankelijkheidsdag uitgekozen.
  • Het niet erkennen van de Franse-Spaanse verdrag van 1912 (het verdrag gaf die twee landen het recht om Arif te bezetten als onderdeel van Marokko).
  • Het vertrek van de Spanjaarden uit Arif.
  • Volledige erkenning van de onafhankelijkheid van Arif.
  • Spanje moet schadevergoeding betalen aan de Riffijnen voor de verliezen van de afgelopen 11 jaar.
  • Het vestigen van vriendschappelijke betrekkingen met alle landen.
  • Toetreding tot de Volkerenbond (voorloper van de Verenigde Naties).

Regering

Op 01-02-1922 werd Moulay Mohend herkozen als prins van Arif, op 18 september werd hij al gekozen, maar het aantal bevrijde stammen was klein. Op 01-02-1922 werd de vergadering bijgewoond door alle Riffijnse stammen, ook de pas bevrijde stammen stemden. Op dezelfde vergadering werd ook de eerste Riffijnse regering bekend gemaakt;

  • President van de republiek: Mohend Elkhattabi (40 jaar).
  • Vice president: Mhamed Elkhattabi (30 jaar).
  • Minister van Financiën: Abdeslam elkhattabi (40 jaar).
  • Minister van Buitenlandse Zaken en de Marine: Mohamed Azarkan (36 jaar).
  • Minister van Defensie: Abdeslam n Rhaj Mohamed Elbouayachi en Ahmed Boudra (33 jaar).
  • Minister van Justitie: Mohamed n’Ari (Ben Ali) Temsamani.
  • Minister van Binnenlandse Zaken: Elyazid n Abdeslam (45 jaar).
  • Inspecteur -Generaal der republiek: Mohamed Boujibar (30 jaar).
  • Eerste secretaris van de republiek: Mohamed Mohammadi (30 jaar).
  • Inspecteur-Generaal van de Marine: Heddo n’Ari (Ben Ali) Lamallam.
  • Inspecteur van de eigendommen van de staat en Habous: Ahmed Aaroud.
  • Belastinginspecteur: ‘mar n Mohammadi.
  • Thesaurier-generaal: Mas’oud Bena’in (Riffijnse joodse handelaar uit Alhoceima en goede vriend van Moulay Mohend).
  • Rechter der rechters “president van de Hoge Raad”: Mohamed Bensaleh.
  • “Bureau voor de pers”/ persbureau: Hanan Abdelaziz.

Hervormingen
Ondanks de oorlog die de Riffijnse republiek opgelegd werd door Spanje en later door een coalitie van Spanje, Frankrijk en Marokko wist de Riffijnse regering belangrijke hervormingen door te voeren, hieronder een paar voorbeelden;

  1. Politieke hervormingen:
    De Riffijnse regering belastte de nationale raad met de taak om een grondwet samen te stellen die “de macht van het volk” moest vertegenwoordigen. Met de nieuwe grondwet werd een einde gemaakt aan de eeuwenoude Izarfan (traditionele Amazigh wetten). De grondwet was 1 van de belangrijkste instrumenten waarmee de Riffijnse leiding het volk wilde moderniseren.
  2. Militaire hervormingen:
    De Riffijnse regering stichtte een professioneel leger die de grenzen van de republiek verdedigde gedurende het hele jaar. Het hoofdkwartier van de Opperste Raad van de Strijdkrachten was gevestigd in Targuist. De gemiddelde soldaat kreeg dagelijks 2 Spaanse pesetas en voedsel. het leger was ingedeeld in drie onderdelen; infanterie, cavalerie en artillerie. Alle soldaten hadden een verenigd univorm, elk onderdeel scheidde zich af door de kleur van de tulbanden van de soldaten. De Riffijnse regering heeft meerdere pogingen gedaan om gevechtsvliegtuigen te kopen maar zonder resultaat. Het Riffijnse leger beschikte over drie gevechtsvliegtuigen, een van de Riffijnse piloten was Heddo Abeqqoy. Tijdens de Riffijnse belegering van Titawin/Tetouan werd gemeld dat er een Riffijns vliegtuig boven de stad vloog. De Riffijnse marine beschikte over twee kleine schepen en een aantal boten waarop de Riffijnse vlag wapperde en de Riffijnse wateren patrouilleerden.
  3. Economische hervormingen:
    De Riffijnse regering probeerde buitenlandse investeerders aan te trekken om te investeren in de mijnindustrie. De regering inde ook verschillende belastingen, de armen en gewonden werden vrijgesteld. De belangrijkste inkomstenbron voor de regering was echter het losgeld dat Spanje had betaald voor de vrijlating van de krijgsgevangenen.
    Vanuit Caïro doneerde ene Mohamed Elmannou namens de organisatie Islamitische Conferentie 9.000 Engelse pond, maar Abdelkrim Elkhattabi sloeg het aanbod af en zei dat de Riffijnse regering genoeg geld had en dat het geld beter gedoneerd kan worden aan andere volkeren die ook strijden tegen hun bezetter.
  4. Infrastructuur:
    De Riffijnse regering legde wegen aan (waarvan een paar nog steeds gebruikt worden), er werd ook een telefoonnetwerk aangelegd. Vanuit de hoofdstad Ajdir waren Moulay Mohend, de regering en officieren constant op de hoogte van de ontwikkelingen aan de front.
    Abdelkrim Elkhattabi bouwde ook rechtbanken, scholen (ook meisjesscholen). Er was een poging om een groot en modern ziekenhuis te bouwen in de hoofdstad Ajdir, maar de Westerse landen weigerden de benodigde apparatuur te leveren en het ziekenhuis werd nooit afgemaakt.
    Met behulp van Britse experts werd een radiostation gebouwd in de hoofdstad Ajdir. De Riffijnse regering wilde studenten sturen naar Turkije en Egypte om kaders voor de toekomst op te bouwen. Door het embargo dat opgelegd was door de Fransen, Spanjaarden en Engelsen werd deze reis belemmerd.

Zoektocht naar erkenning
Op diplomatiek vlak probeerde de Riffijnse regering erkenning te krijgen van de internationale gemeenschap. In dit kader had de Riffijnse regering vertegenwoordigers / ambassadeurs in zowel Frankrijk als Engeland. De ambassadeurs probeerden zowel de regeringen, politieke partijen als de nationale publieke opinie ervan te overtuigen dat handelsbetrekkingen tussen Arif en hun land beter is voor beide volkeren dan oorlog voeren.

De Riffijnse president Moulay Mohend schreef meerdere malen naar Engelse premier Ramsay MacDonald. In een van de brieven sprak hij hem aan “namens de mensheid om te bemiddelen tussen de Riffijnen en de Spanjaarden om een einde te maken aan de gruwelijke oorlog die onschuldige levens oogst”. De brieven van de Riffijnse president werden echter genegeerd door de Britten die in een onafhankelijk Arif een gevaar zagen voor hun koloniale rijk.

De Riffijnse president schreef ook een brief naar de Volkerenbond in een poging erkenning te krijgen voor Arif als een onafhankelijk republiek. Maar de Fransen en andere koloniale machten gebruikte hun invloed om daar een stokje voor te steken. De brief van Riffijnse republiek ligt nog steeds in de archieven van de Verenigde Naties. In de brief benadrukte de Riffijnse president dat “De Riffijnen geen Marokkanen zijn in de mate dat de Engelsen zichzelf anders beschouwen dan Duitsers” en dat “de Riffijnse taal anders is dan de Marokkaanse”.

Capitulatie
In 1925 voegden Frankrijk en Marokko zich aan de kant van Spanje en er werden verschillende fronten geopend tegen de jonge republiek. In het begin boekte het Riffijnse leger grote overwinningen en wist grote gebieden van zuidelijk Arif, dat bezet was door Frankrijk te bevrijden. Het Riffijnse leger was slechts een paar kilometer verwijderd van de stad Fes, de inwoners van de stad konden de kanonnen horen.

De ontwikkelingen volgden echter snel in het nadeel van Arif, de Franse president-generaal Hubert Lyoutey werd vervangen door de Franse generaal en held van de Eerste Wereldoorlog Philippe Pétain. De Engelse vloot patrouilleerde op Riffijnse wateren en versterkte de embargo. Duitsland leverde wetenschappers aan Spanje die twee fabrieken bouwden waarin gifgasbommen werden geproduceerd.

De Spaanse, Franse en Marokkaanse coalitie brachten een leger op de been bestaande uit ruim 700.000 soldaten (sommige bronnen melden 500.000 en andere melden 900.000). Tanks, oorlogsboten, vliegtuigen en alle andere moderne wapentuig werd ingezet.

Toen de Riffijnse regering zich realiseerde dat het Riffijnse volk (bestaande uit circa 500.000 inwoners in totaal) met uitroeiing werd bedreigd (vooral door de gifgasaanvallen die complete dorpen uitroeiden) capituleerde Abdelkrim officieel op 07 mei 1926.

Sommige elementen van het Riffijnse leger zetten de strijd door als guerrilla tot 1927. Een Franse officier meldt in dit verband dat “bij geen enkele Riffijn die zich overgaf munitie was gevonden”, wat aangeeft dat de Riffijnen zich verzetten tot de laatste kogel.

Nalatenschap
De Riffijnse republiek en verzet inspireerde talloze volkeren om wapens te nemen tegen hun bezetter, in Vietnam, China, Afrika en Zuid-Amerika waren alle ogen gericht op Arif. Mao Zedong, Che Guevara en de Vietnamese leider Hồ Chí Minh hadden bewondering voor het Riffijnse verzet. De oorlog in Arif zorgde voor interne problemen in Spanje die eindigden in de Spaanse burgeroorlog tussen 1936-1939.

In 1956 vertrok de Spaanse bezetter, zijn plaats werd ingenomen door de milities van de racistische Marokkaanse pan Arabische partij Hizb Alistiqlal. De partij zaaide dood en angst onder de Riffijnse bevolking, de leiders van de Riffijnse bevrijdingsleger Heddou Aqchich en Abbas Lamsadi waren twee van de vele slachtoffers van de Arabische militie.

In 1958 kwam het Riffijnse volk in opstand tegen de Marokkaanse terreur, de milities werden uit Arif verjaagd en kantoren van de racistische partij werden in brand gestoken. Een Riffijnse delegatie reisde af naar Rabat met een lijst van eisen van het volk waaronder; De terugkeer van de Riffijnse leider Moulay Mohend uit zijn ballingschap, Riffijnen aanstellen in Arif (autonomie), een belangrijke post in de regering geven aan een Riffijn etc..

Marokko antwoordde echter met het sturen van het leger onder leiding van Hassan II, het leger dat uitgerust was met Franse wapentuig werd gesteund door Franse piloten en een Amerikaanse vliegeenheid. Het ongewapende Riffijnse volk dat uitgeput was door de vele oorlogen had geen kans en het Marokkaanse leger verrichtte een bloedbad onder de bevolking, duizenden Riffijnse vrouwen en kinderen werden op barbaarse manier gedood.

Na de genocide van 1959 volgde een deportatie van de Riffijnen naar de Europese mijnen en fabrieken, in de hoop dat ze onder de slechte werkomstandigheden zullen bezwijken of zullen assimileren in het Westen.

In 1971 pleegden de Riffijnse officieren Abbabou en Madbouh een mislukte coup op de dictator Hassan II. Madbouh kwam om tijdens de coup en Abbabou werd samen met honderden andere soldaten opgepakt. Voordat hij geëxecuteerd werd liet hij een andere gevangene weten dat “Riffijnen republikeinen zijn” en dat zijn idool Abdelkrim Elkhattabi is.

Door de Marokkaanse terreur (genocides, deportaties, economische marginalisering, arabiseringspolitiek, vervalsing van de geschiedenis etc…) weten vele Riffijnen vandaag de dag weinig over de Riffijnse republiek. Het bewustzijn onder vele jongeren groeit echter wel, vooral in Europa waar informatie toegankelijker is voor de gemiddelde persoon.

Marokko slaagde er dus in om het land van de Riffijnse republiek te annexeren, maar de ziel van de republiek leeft nog voort bij vele Riffijnen.