De eerste Riffijns-Spaanse oorlog in 1893

Op 3 oktober 1893 brak de oorlog uit tussen de Riffijnen en Spanje nadat de laatste haar enclave Melilla wilde uitbreiden ten koste van Riffijns land. De Allawitische sultan Hassan was vanaf de eerste dag aan de kant van Spanje. Deze oorlog wordt door de Spanjaarden ‘de eerste Melilla campagne’ en Margallo-oorlog genoemd. De Riffijnen noemen het de Sidi Ouaryach-oorlog. Het was de eerste van drie oorlogen tussen Arif en Spanje en haar bondgenoten (2e,3e).

Na de nederlaag van de Allawieten tegen Spanje bij de slag om Tetouan in 1860 legde Spanje hen meerdere voorwaarden op om vrede te sluiten. Een van de eisen van Madrid was de uitbreiding van de grenzen van hun enclave Melilla. De Allawieten gingen maar al te graag akkoord omdat Spanje daarmee hun zeggenschap over Arif erkende. Spanje, die wist dat de Allawieten geen macht hadden over Arif, had op haar beurt de Allawieten nodig omdat ze wist dat de Riffijnen hun grond niet zo makkelijk zouden afstaan. Beide hadden profijt bij de deal en de enige verliezer waren de Riffijnse Ikkerɛiyen die aan Melilla grenzen.

In 1893 begonnen Spaanse soldaten en arbeiders vestingen te bouwen buiten Melilla en de grens van de enclave uit te breiden. Dit ging ten koste van lokale Riffijnen die niet aanwezig waren bij de onderhandelingen tussen de Allawieten en Spanjaarden.

Tegenover deze Spaanse agressie mobiliseerde de Ikkerɛiyen haar strijders en stuurden haar leiders oproepen van hulp aan de rest van de Riffijnen.

Op 3 oktober 1893 vielen honderden Riffijnse strijders, gewapend met Remington geweren, de Spaanse stellingen aan. De 400 Spaanse soldaten leden 21 doden en 100 gewonden, volgens cijfers van het Spaanse leger. De Spaanse burgers en militieleden waren gedwongen zich terug te trekken in het fort van Melilla. De Riffijnse strijders hadden geen artillerie om het fort mee te bombarderen. De dappere strijders probeerden het fort te bestormen maar ze waren makkelijke doelwitten voor de Spanjaarden. De bestorming mislukte en de Riffijnen leden aanzienlijke verliezen.

Na een bloedige dag wisten de Riffijnen de werkzaamheden van de Spanjaarden te stoppen en hen te omsingelen binnen Melilla. Het nieuws verspreidde zich in de rest van Arif en in Spanje. In beide landen begon de mobilisatie voor de oorlog die uitgebroken was.

Strijders en ruiters uit de naburige Ichebdanen en Ait Iznassen waren de eersten die de Ikkerɛiyen te hulp schoten. In de loop van de oorlog arriveerden versterkingen uit andere streken van Arif.

Aan de andere kant van de Middellandse Zee mobiliseerde Spanje in de eerste dagen 3.000 soldaten. Onderweg naar de havens om verplaatst te worden naar Melilla, passeerden deze soldaten verschillende Spaanse steden, waar ze met ceremonies en ovaties van de bevolking werden ontvangen.

Vanaf het begin erkende de Allawitische sultan Hassan het recht van Spanje om haar enclave uit te breiden ten koste van grond van de Riffijnen. Terwijl Spanje haar soldaten mobiliseerde, verstoorden de Allawieten de mobilisatie in Arif. De Allawieten bedreigden de Riffijnse stammen en bevallen de Riffijnen zich te onderwerpen en niet te vechten tegen de Spaanse expansie. Wie alsnog de wapens oppakte tegen de Spanjaarden werd door de Allawieten gekenmerkt als rebel en outlaw. De Allawieten stuurden zelfs hun soldaten om bepaalde Riffijnen te straffen voor hun deelname aan de mobilisatie tegen de Spaanse agressie. De Makhzen noemt dit in zijn correspondentie met de Spanjaarden, schrijft Jamal Atif in zijn boek ‘Spanje en de Sidi Ouariach-oorlog vanuit Spaanse documenten 1893-1894’.

Op 4 oktober bombardeerde de Spaanse ironclad Numancia verschillende dorpen langs de Riffijnse kust. Op dezelfde dag arriveerde een artillerie-eenheid uit Malaga in Melilla.

De gevechten hielden aan terwijl de versterkingen in beide kampen arriveerden. Zo stoomde de kanonneerboot Conde de Venadito op 22 oktober naar de monding van de Río de Oro, ging daar voor anker en richtte haar Hotchkiss-kanonnen op Arif. Het schip schoot 31 granaten naar de Riffijnse loopgraven en keerde zonder schade terug naar de haven van Melilla.
Op 27 oktober kwam het antwoord van de Riffijnen: een Riffijnse macht viel Sidi Ouriach aan (een van de gebieden die Spanje innam bij haar uitbreiding van de grenzen van Melilla). Ondanks de Spaanse artillerie en assistentie van oorlogsschepen wisten de Riffijnen de Spaanse soldaten te verdrijven uit Sidi Ouariach, die gedwongen werden terug te trekken in het fort in Melilla. De Riffijnen namen de Spaanse verdedigingswerken in. Wekenlange arbeid van de Spaanse soldaten was nu in handen van de Riffijnen.

De Spaanse generaal en gouverneur van Melilla, Juan García y Margallo, leidde op 28 oktober een legermacht van 2.000 soldaten om de Riffijnen te verjagen uit de verdedigingswerken. De Riffijnse strijders in de loopgraven hielden echter de Spaanse aanval tegen. Toen de Riffijnen hun linie verlengden in een poging het Spaanse leger te omsingelen, dacht de Spaanse generaal de overwinning te behalen door het verzwakte centrum aan te vallen. Deze fout zou hem en vele Spaanse soldaten het leven kosten.

De aanval van Margallo mislukte en zijn eenheden leden enorme verliezen. De Spaanse generaal was gedwongen zich terug te trekken, kort daarna werd hij doodgeschoten. Zijn eenheid viel uit elkaar. Alleen de achterhoedeacties van generaal Ortega zorgden ervoor dat de terugtocht geen ramp werd. Volgens het Spaanse leger zijn er die dag 70 doden en 122 gewonden gevallen, maar de werkelijke verliezen waren veel hoger.

Onder de overlevenden van Margallo was een jonge luitenant genaamd Miguel Primo de Rivera. Hij werd later de machtigste man in Spanje nadat hij een coup pleegde in 1923.

De bewapening van de Riffijnen bestond uit lichte geweren, verkregen via smokkel uit Melilla (voor de uitbraak van de oorlog), Ceuta, Algerije en Gibraltar. Het ontbrak de Riffijnen aan artillerie om de stad Melilla in te nemen en de oorlog te beslissen. De Allawieten die over kanonnen beschikten stonden aan de kant van Spanje en waren juist bezig met het verzwakken van het Riffijnse verzet.

Gewapend met lichte geweren alleen, wisten de Riffijnen de Spaanse soldaten te belegeren. Deze belegerde Spanjaarden waren in een wanhopige strijd om te overleven. Met versterkingen uit andere stammen was er genoeg mankracht om ook de stranden te bewaken door de Riffijnen. Elke poging van Spaanse schepen om soldaten en voorraden te landen werd verstoord door de verschanste schutters.

De Riffijnen breidden hun loopgraven uit rond de stad en richtten versterkte kampen op, waarbij ze alle communicatie tussen de citadel en de vooruitgeschoven forten blokkeerden en de wegen ertussen vernietigden. Alleen de wanhopige gevechten van nachtelijke missies wisten de buitenposten te voorzien van water, rantsoenen en munitie.

De Spaanse artillerie wist echter Melilla uit handen van de Riffijnen te houden. Het Spaanse leger zette ook veroordeelden in om misdaden te plegen tegen de Riffijnen. Deze criminelen werden georganiseerd in zoek- en vernietigingseenheden onder leiding van legerofficieren. ’s nachts gingen ze op jacht naar de Riffijnen.

Volgens de Spaanse bronnen verloor het Spaanse leger in november 12 officieren en 100 soldaten. De verliezen aan de Riffijnse zijde waren volgens Spanje 500 doden, voornamelijk door bombardementen. Deze cijfers zijn echter onbetrouwbaar omdat het Spaanse leger haar eigen verliezen minimaliseert terwijl het de Riffijnse verliezen enorm overdrijft.

In november arriveerden ook twee Spaanse kruisers die Arif dag en nacht bombardeerden. De Spaanse oorlogsschepen gebruikten ’s nachts hun zoeklichten om doelwitten te lokaliseren, het was de eerste keer dat dit apparaat gebruikt werd tijdens een slagveld. Op 27 november arriveerden 7.000 Spaanse soldaten in Melilla. Spanje wijdde twee legerkorpsen aan de oorlog tegen Arif.

Ondanks deze overmacht kon Spanje geen vooruitgang boeken op het slagveld. Spanje probeerde de Riffijnen te dwingen tot overgave door hun dorpen te bombarderen, maar ook dat mislukte.

Toen Spanje realiseerde dat ze de Riffijnen niet kon verslaan en niet kan overhalen hun grond af te staan, startte het in december ‘onderhandelingen’ met de Allawieten. Van onderhandelingen was er echter geen sprake want de Allawieten gingen direct akkoord met alle eisen van Spanje. De eisen van Madrid aan de Allawieten waren onder meer: de arrestatie van de Riffijnen die de Spaanse posities in Sidi Ouariach aanvielen, de Allawieten moesten 12 van deze Riffijnen in het openbaar executeren, alle wapens van de Riffijnen vernietigen en alle Riffijnse verdedigingswerken in de buurt van Melilla vernietigen. Het akkoord werd getekend op 5 maart 1894 in Marrakech.

De Riffijnen waren tegen dit akkoord, maar het verraad van de Allawieten verzwakte de Riffijnse positie. De strijders die hun land verdedigden werden gestraft en geëxecuteerd door de Allawieten.

Bij velen rijst nu de vraag hoe de Allawieten de Riffijnen konden bestraffen, terwijl ze een Europees leger tot stilstaan hadden gebracht. In het geval van de Allawieten is het niet hun legermacht waarmee ze de Riffijnen verzwakten, maar hun religieuze macht. Bij de soennieten geldt een hadeeth die voorschrijft dat je een Qoraych-Arabier moet zijn om leider van moslims te mogen zijn. Aangezien de Riffijnen geen Arabieren zijn, zijn ze ‘afhankelijk van een Qoraych-Arabier als leider om niet in het hellevuur te belanden’. De Allawieten claimen nazaten te zijn van de profeet. Als moslims moesten de Riffijnen dus trouw zweren aan de Allawieten. Dit misbruik van de religie gebruikten de Allawieten en de Fransen ook om het verzet van Abdelkrim El Khattabi te verzwakken en uiteindelijk te verslaan.

Vandaag de dag gebruiken de Allawieten dezelfde tactiek tegen de Riffijnen die zich verzetten tegen het racistisch en repressief beleid in Arif. Zoals de Riffijnse strijders in 1893, de strijders van Abdelkrim in 1921 en de Riffijnen in 1958 en 1984 werden weggezet als rebellen die zich niet aan de Islamitische wet hielden, worden Riffijnse activisten vandaag de dag beschuldigd van hetzelfde door de Allawieten en hun aanhangers. Op deze manier wordt er verdeeldheid gezaaid onder de Riffijnen en kan Rabat haar positie in Arif veiligstellen.

Dit verraad van de Allawieten en de massamoord op de Ibeqqoyen enkele jaren daarna verklaart misschien waarom de Ikkerɛiyen en omringende stammen het geen probleem vonden Boutaghyoutch als hun sultan te erkennen. De laatste, die in oorlog was verwikkeld met de Allawieten in Fes, maakte zelfs van Selouane de hoofdstad van zijn sultanaat. Pas nadat ze erachter kwamen dat ook deze ‘Qoraych-Arabier’ met Spanje onderhandelde over de exploitatie van Riffijnse grondstoffen, begon Mohamed Amezian n Azghenghan het verzet tegen Boutaghyoutch en Spanje te organiseren.