De opstand van 1984

Op 19 januari 1984 begon het Marokkaanse leger te schieten op betogers en willekeurige inwoners in onder meer Nador, Al Hoceima, Tetouan en Marrakech. De protesten braken uit nadat het regime, onder druk van de Wereldbank, de prijzen voor basisproducten voor de zoveelste keer had verhoogd.

Oorzaak:
De oorlog die Hassan II had gestart om de noordelijke helft van de Westelijke Sahara te annexeren (Hassan II en Mauritanië waren akkoord de Westelijke Sahara te verdelen), kostte het Marokkaanse regime enorm veel geld. Rabat was genoodzaakt steeds meer te lenen om de oorlog te kunnen financieren. De buitenlandse schuld steeg van 900 miljoen dollar in 1972 naar 12 miljard dollar in 1980.

In een televisietoespraak kondigde Hassan op 27 december 1983 een aantal prijsverhogingen aan (o.a. van brood, melk, olie en elektriciteit) vanwege de economische moeilijkheden. Reeds in augustus 1983 waren als gevolg van een verlaging van de subsidies op de voornaamste levensmiddelen met 20% de volgende prijsstijgingen opgetreden: suiker 18%, spijsolie 30%, boter 67% en meel 35%.

Op 19 september had Hassan II het vierde stabilisatie-akkoord met het IMF, sinds 1978, gesloten. Op grond daarvan Marokko verplichtte zich tot vermindering van de subsidies op levensmiddelen. Op grond van dit akkoord keurde het IMF een standby-krediet van ca. $315 miljoen voor Marokko goed, maar dit werd vervolgens opgeschort omdat het regime de bezuinigingsmaatregelen onvoldoende zou hebben toegepast.

De in de ‘Club van Parijs’ verenigde 12 Westerse industrielanden verleenden Marokko op 26 oktober uitstel van betaling van een bedrag van $600 miljoen aan rente en aflossing van leningen. Het bedrag werd omgezet in een lening met een looptijd van 8 jaar, waarvan de eerste vier jaar vrij van aflossing zouden zijn. Op 3 november verklaarden de Wereldbank en 12 Westerse en Arabische landen zich bereid Marokko nieuwe leningen ter waarde van $535 miljoen te verstrekken; het aandeel van de Wereldbank was $150,4 miljoen.

Het begin van de protesten
De exacte datum van de protesten is moeilijk te achterhalen. Vanaf het begin van januari was het echter onrustig in de lycea in het hele land nadat bekend werd dat het regime inschrijvingsgeld voor de lycea wilde verhogen.

Volgens Ethesis waren er begin januari 1984 protesten in de steden Marrakech meknes, Safi en Oujda. Het Marokkaanse regime ontkende dat, maar erkende wel dat 17 van de 36 lycea in het land op 5 januari in staking waren gegaan tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld.
Volgens dezelfde bron hadden zich van 8 tot 10 januari ernstige onlusten voorgedaan in Marrakech. Legereenheden uit de westelijke Sahara zouden zijn ingezet om de orde te herstellen.

Reuters (20/1) meldde vanuit Madrid dat zich enkele dagen eerder (op 12 en 13 januari volgens latere berichten) gewelddadigheden hadden voorgedaan in Al Hoceima en dat politie en militie stellingen hadden betrokken rond middelbare scholen in de hoofdstad Rabat na relletjes op 19 januari waarbij vooral scholieren waren betrokken.

Het begin van de misdaden van Hassan II
Op 13 januari 1984 werd de 13-jarige Riffijn Said Qoussih doodgeschoten door de Marokkaanse mariniers voor het gebouw van Imam Malik lyceum in Al Hoceima (foto 1). Zijn vader, Mohamed Qoussih, zegt dat hij drie dagen lang aan het zoeken was naar zijn zoon. Uiteindelijk moest hij zich melden bij de Marokkaanse gouverneur in de stad, de laatste vertelde hem dat het lichaam van zijn zoon om 03:00 ’s nachts begraven ging worden. De vader mocht aanwezig zijn maar er kreeg te horen dat er geen begrafenisceremonie plaats ging vinden.

Het meest getroffen stad was echter Nador waar de misdaden van het Marokkaanse leger op 19 januari begonnen. Marokkaanse tanks reden in de straten van de stad en willekeurige inwoners werden neergemaaid door machinegeweren van Marokkaanse soldaten.

Op dinsdag 29 april 2008 werd een van de vele massagraven ontdekt, in de Marokkaanse legerkazerne Tawima, net buiten de stad Nador. In het graf werden lichamelijke overschotten van 14 slachtoffers gevonden. 1 van hen is de 15-jarige Zouhir Faris (foto 2). Dit kind ging op 19 januari 1984 naar buiten, niks vermoedend, om te knikkeren met zijn vrienden. Zijn familie was sindsdien opzoek naar hem, pas na 24 jaar mochten ze afscheid nemen van hem.

Ooggetuigen melden dat willekeurige inwoners opgepakt werden, deze slachtoffers werden gemarteld en uiteindelijk levend begraven door de Marokkaanse soldaten.

In Tetouan werden ook burgers gedood door de soldaten van Hassan II. Spaanse media meldden dat ook de doden in Tetouan in massagraven werden gedumpt.

Reactie van Hassan II
De Marokkaanse autoriteiten en media verstrekten aanvankelijk geen enkele informatie. Diverse buitenlandse journalisten in Tetouan werden uitgewezen en journalisten die vanuit de Spaanse enclaves Melilla en Ceuta Marokko wilden bezoeken, werden niet toegelaten.

Bij de door politie en leger bedwongen onlusten zouden volgens een FAZ-bericht uit Madrid op 22 januari meer dan 150 doden zijn gevallen, vooral door toedoen van militairen, die met machinegeweren op de betogers zouden hebben geschoten. Die zelfde avond hield Hassan een radio en televisietoespraak tot de natie – de eerste officiële vermelding van de onlusten – waarin hij de annulering van de prijsverhogingen bekendmaakte.

Hassan kwam op zijn besluit terug nadat de door hem gelaste vermogenstelling had aangetoond dat 40% van de Marokkaanse bevolking onder de armoedegrens leefde; volgens de Wereldbank was dit zelfs 42%. Tegelijk waarschuwde hij dat tegen elke verdere agitatie met kracht zou worden opgetreden. De onlusten van de laatste dagen waren, aldus de koning, vanuit het buitenland georganiseerd, in het bijzonder door Iran, de “marxistisch-leninistische” wereld en de “zionistische inlichtingendiensten” (soortgelijke beschuldigingen krijgen ook de activisten van de huidige Riffijnse volksbeweging, terwijl het de Allawitische monarchen zijn die hechte banden onderhouden met Israël en haar inlichtingendiensten).

Hassan II had een speciale boodschap voor de Riffijnen die hij Awbach/tuig noemde. Hassan II herinnerde de Riffijnen aan de massamoord van 1959, die hij persoonlijk leidde, en dreigde hen met een nieuwe massamoord als de protesten niet stoppen (zie video 3).

Op 24 januari 1984, toen de rust in Marokko leek teruggekeerd, meldden 2 Marokkaanse organisaties in Frankrijk (AMF en ATMF) dat er bij de onlusten meer dan 400 doden waren gevallen. Diplomatieke kringen maakten toen melding van ca. 60 doden. Op 25 januari publiceerde MAP de eerste officiële cijfers: 29 doden en 114 gewonden (inclusief 26 leden van de ordetroepen).

Op 21 februari meldde Al Ittihad Al Ichtiraki dat tot dan toe 383 personen door geheime tribunalen waren berecht en veroordeeld tot celstraffen tussen 6 maanden en 5 jaar en tot geldboetes (vooral van 1.000 dirham). De zwaarste straffen waren door het tribunaal in Nador uitgesproken op processen achter gesloten deuren.

Op 29 februari berichtte hetzelfde blad dat na het uitspreken van 175 nieuwe vonnissen (tot een maximum van 5 jaar cel) het aantal wegens de onlusten veroordeelde personen tot 700 was gestegen. Begin maart maakte de PPS bekend dat 66 lyceïsten, onder wie 2 leden van de PPS en drie van de USFP, uit Agadir waren veroordeeld tot celstraffen van 6 maanden tot 2 jaar.

Le Monde berichtte op 16 maart dat volgens de autoriteiten ca. 1.800 personen i.v.m. onlusten gevangen zaten, terwijl de oppositie van 1.550 gevangenen sprak. Op 18 april meldde MAP dat het merendeel van de 1.8000 gedetineerden inmiddels in 13 verschillende steden was veroordeeld tot straffen variërend van 2 maanden tot 10 jaar en tot boetes van 200 tot 20.000 dirham. Tegelijk maakte MAP bekend dat het tribunaal van Oujda één van de beklaagden tot 15 jaar cel had veroordeeld, het tot dan toe zwaarste vonnis.

Op 24 mei werd Yassin door het tribunaal van Salé veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf en een boete van 500 dirham. Le Monde (30/5) schreef dat ongeveer 1.000 van de ca. 1.500 gearresteerden inmiddels waren veroordeeld.

 

(Foto 1)

 

(Foto 2)

 

(Video 1)