Rhaj Alimani, de Duitser die voor Arif Republiek vocht

Joseph Otto Klems was een avonturier van Duitse afkomst die het Franse leger verliet om zich aan te sluiten bij de strijd van de Riffijnen onder leiding van Abdelkrim El Khattabi. Klems, die zich bekeerde tot de islam en een toegewijde van Abdelkrim werd, speelde een belangrijke rol in een van de eerste grote antikoloniale strijd tegen de Europese overheersing. De rol die het naziregime speelde – dat een beslissende bijdrage leverde aan Klems’ bevrijding uit de gevangenis in Guyana, waar hij na zijn gevangenneming door het Franse leger was veroordeeld – verklaart misschien gedeeltelijk waarom zijn verhaal niet de nodige aandacht kreeg in de hedendaagse geschiedschrijving. En toch heeft Klems nooit een compromis gesloten met de fascisten of de nazi’s.

Deze avonturier, die ‘Rhaj Alimani’ (letterlijke vertaling: Duitse bedevaartganger) werd genoemd door de Riffijnen, beleefde zijn hoogtijdagen in de jaren 1920-1930. De belangrijkste kranten van die tijd, Le Matin, Le Petit Parisien en Le Temps, berichtten regelmatig over hem, zonder ook maar het minste interview van hem te krijgen. Hij fascineerde velen die hem kenden en in het bijzonder Georges R. Manue, zelf een voormalig legioensoldaat, die journalist werd en vanaf 1926 de vriend van de Franse schrijver en linkse politicus André Malraux was. Ernst vermengd met een vorm van tederheid die moeilijk toe te geven is, uitgedrukt in ‘La Dépêche coloniale et Maritime’ van 21 februari 1930: “We kunnen geen toegeeflijkheid hebben voor deze man die zijn regiment heeft verraden, die de moordenaar was van zoveel van zijn kameraden. Maar zijn zaak is niet dat van een gewone crimineel. Er zit een mysterie in het gedrag van Klems dat ons verleidt en bindt.”

Joseph Otto Klems werd in 1893 in Düsseldorf geboren in een gezin met een bescheiden sociale achtergrond. Hij ging op zijn achttiende aan de slag als klerk bij een advocatenkantoor, maar had moeite om zijn weg te vinden. Al snel verviel hij in een kleine misdaad, waardoor hij twee keer – in 1911 en 1912 – werd veroordeeld tot gevangenisstraffen van enkele maanden. In oktober 1913 nam hij dienst in het Duitse leger als een eenvoudige soldaat. Het was een korte carrière, omdat hij het Duitse leger in juni 1914 verliet.

Op de vlucht naar Frankrijk meldde hij zich bij het Franse Vreemdelingenlegioen, in het 2e Buitenlandse Regiment, onder nummer 9073.
Joseph Otto Klems werd naar Noord-Afrika gezonden en bracht de eerste twee jaar van de Eerste Wereldoorlog door in Algerije, want er was duidelijk geen sprake van het inzetten van een Duitse huursoldaat aan het Franse front. Daarna werd hij in juli 1916 aan Marokko toegewezen. Blijkbaar heeft hij zich gestabiliseerd in zijn nieuwe leven. In 1920 ondertekende hij een nieuwe verbintenis van vijf jaar in het legioen. Hij wordt door zijn superieuren goed genoeg opgemerkt om op 1 januari 1922 tot onderofficier te worden bevorderd, met de rang van korporaal. Voor hem ontvouwt zich een nieuwe fase van zijn militaire loopbaan.

Deel 2: Klems deserteert en keert zich tegen Frankrijk

Begin 1922 waren er geen aanwijzingen dat Klems een paar maanden later Vreemdelingenlegioen zou verlaten. Kapitein Cattin, zijn meerdere, merkte echter op dat “als er niets is om hem te verwijten in zijn manier van dienen, hij niettemin buitengewoon prikkelbaar, achterdochtig en erg zelfverzekerd is”. Ook al is hij een uitstekende soldaat, Joseph Otto Klems wordt vooral als een goede manager beschouwd. In maart was hij betrokken bij een nogal duistere affaire. In zijn functie als rentmeester wordt Klems ervan beschuldigd valse facturen te hebben gemaakt. Het onderzoek ontrafelt niet alle verwarde draden van de zaak, maar er werden wel disciplinaire maatregelen genomen. Iets wat Joseph Otto Klems niet kon uitstaan.

Uit zijn dossier bij de Historische Dienst van het Leger (SHAT 12J3797) blijkt dat hij in mei 1922 aan een van zijn metgezellen, een Duitser zoals hij, schreef dat hij het leven dat hij leidt niet langer ziet zitten. Dat hij de indruk heeft een slachtoffer te zijn, net als zijn vader en zijn broer, van de achterdocht en haat van de Fransen en dat hij van plan is te deserteren. De broer van Joseph Otto Klems werd tijdens de Franse bezetting van het Duitse Ruhrgebied veroordeeld, waarschijnlijk onterecht, wat hem toe bewoog zijn positie in het Franse leger te herzien.

De Fransman Georges Manue die Klems leerde kennen in Marokko toen hij zelf in 1922 legioensoldaat was in Meknes, zei in een artikel gepubliceerd in ‘La Dépêche coloniale et Maritime’, dat hij deserteerde nadat hij gestraft werd door zijn meerdere: ”Hij was een goede soldaat, maar verwaarlozing in de dienst leverde hem een arrestatie op. Niets meer. Hij vatte de straf slecht op, bekritiseerde de leider die hem de straf had opgelegd, sprak van ‘pesten’ en vertelde zijn kameraden dat hij het niet meer kon uitstaan”.

De volgende dag, 23 augustus 1922, werd zijn bed opgemaakt aangetroffen en het geweer, dat meestal aan de deur hing, was er niet meer.
Joseph Otto Klems vluchtte uit de Franse basis en was eerst van plan om terug te keren naar zijn vaderland Duitsland. De Duitser realiseerde echter als snel dat het een onmogelijke opgave was. Het Franse leger startte een klopjacht op de Duitser en beloofde de lokale bevolking een beloning voor informatie die leidt naar zijn arrestatie.

Klems werd kort na zijn vlucht gevangengenomen door de stam Aït Seghrouchen. De Duitser werd voor een indringer gezien en de stamhoofd besloot hem te executeren. Een familielid van de stamhoofd greep echter in en vertelde de laatste dat Klems zeer nuttig kan zijn voor de stam die in conflict was met de Fransen.

Klems won het vertrouwen van de Aït Seghrouchen en op de nacht van 17 op 18 september 1922 hielp hij de stam vier wapens uit een Franse post buit te nemen. De stamhoofd van Aït Seghrouchen zou zich echter onderwerpen aan de Fransen, waardoor de Duitser moest vertrekken naar een andere stam die nog niet was onderworpen. Klems sloot zich aan bij de Marmouchas en wist ook het vertrouwen van deze Amazigh stam te winnen.

Klems sluit zich aan bij Arif republiek
Joseph Otto Klems besloot zich aan te sluiten bij Arif republiek, die sinds 1921 een succesvolle oorlog voerde tegen de Spaanse bezetter. De Riffijnse president en verzetsleider, Abdelkrim El Khattabi, verwelkomde graag buitenlandse sympathisanten, of het nu journalisten zijn zoals Walter Harris of Vincent Sheean of verzetsstrijders.

Toen Klems in de Riffijnse hoofdstad Ajdir arriveerde had Abdelkrim al verschillende Europeanen in dienst, met name de Engelsen, zoals Robert Gordon Canning en Charles Gardiner. De laatste was een wapenhandelaar die wapens smokkelde en verkocht aan het Riffijnse leger. Charles Gardiner produceerde ook de biljetten van 1 en 5 Riffan.

De Duitser Klems voegde zich, samen met een andere deserteur uit het Franse vreemdelingenlegioen, een Turk genaamd Ismaël, bij de staf van Abdelkrim om voor de artillerie te zorgen. Hij vervangt dan een zekere Riffijn genaamd Abdallah Serbiano die tot dan toe verantwoordelijk was voor de artillerie.

De Duitser ging aan het werk en reorganiseerde de artillerie. Hij integreerde 70 soldaten in de artillerie, waaronder 14 Europeanen. Klems bewees zich snel als een goede strateeg en tacticus. Joseph Otto Klems had ook een fototoestel waarmee hij foto’s maakte, deze foto’s, samen met zijn topografische onderzoeken waren belangrijk voor de Riffijnse legerleiding om offensieven te plannen. Klems werd ook ingezet om de Duiters in de vreemdelingenlegioen te beïnvloeden om te deserteren en zich aan te sluiten bij het Riffijnse leger. De Duister maakte ook deel uit van de delegatie die buitenlandse journalisten ontving in Arif, zoals Paul Scott Mowrer in oktober 1924 en Vincent Sheean in januari 1925.

Het Riffijnse leger boekte de ene overwinning na de andere op Spanje. Vanaf 1924 begonnen Europese media, zoals Le Figaro, zich af te vragen of Spanje haar kolonie zal verlaten. De onderhandelingen tussen afgezanten van de Riffijnse regering en de Spanjaarden over de terugtrekking uit Arif en het erkennen van een soevereine Riffijnse staat waren ver gevorderd. Frankrijk greep echter in omdat een succesvol verzet in Arif een gevaar was voor haar koloniaal rijk in Afrika.

In 1925 brak de oorlog uit tussen Arif republiek en Frankrijk en haar protectoraat Marokko. In het begin bezorgde het Riffijnse leger de Fransen zware nederlagen. Joseph Otto Klems raakte hierbij ernstig gewond.

Intussen was Klems een legende geworden voor zowel de Riffijnen, die hem Rhaj Alimani noemden, als de Europeanen die zijn verhalen volgden via de verschillende kranten die over hem berichtten. Ook in het Franse leger was er bewondering voor Rhaj Aliman, Georges Manue steekt zijn fascinatie voor zijn voormalige kameraad niet onder stoelen of banken: “Voor onze troepen was hij legendarisch geworden. Haat had plaatsgemaakt voor een soort bewondering. De deserteur was een groot avonturier geworden. De legioensoldaten zagen in hem een ​​groot avonturier”.

Rhaj Alimani bekeerde zich tot de islam en trouwde met de weduwe van een stamhoofd van de Igzennayen. Volgens de Fransen had Rhaj Alimani meerdere vrouwen.

Het laatste deel volgt binnenkort

Deel 4: Klems valt in handen van de Fransen