Dossier Riffijnse politieke gevangenen onthult onmacht minister van Justitie

Ouahbi buigt voor Mohamed 6 bij zijn inauguratie

Deze week werd een nieuwe regering gevormd in het Allawitisch koninkrijk. De nieuwe minister van Justitie is Abdellatif Ouahbi, voorzitter van Partij voor Authenticiteit en Moderniteit (PAM).

Abdellatif Ouahbi heeft tijdens zijn campagne meerdere malen opgeroepen om ‘een oplossing te vinden voor het dossier van de Riffijnse volksbeweging’, ‘vrijlating van de gevangenen van de volksbeweging’ en ze zelfs verkiesbaar te stellen in zijn partij.

Nu hij minister van Justitie is verwachten sommigen dat er beweging komt in het dossier van de Riffijnse gevangenen en volksbeweging.

In Arif wordt er echter niet op gerekend. Mohamed Ahamjik, de broer van de politieke gevangene Nabil Ahamjik, zei dat het dossier groter is dan Abdellatif Ouahbi ongeacht zijn status als minister van Justitie. Ahamjik vervolgt dat het dossier ligt in ‘hogere handen’ (de koning en zijn adviseurs) en dat alleen zij beslissen erover.

‘De verklaringen van Ouahbi blijven uitlatingen van een politieke functionaris die het volste recht heeft zich in deze richting uit te drukken. Maar het besluit ligt in andere handen’, aldus de broer van Nabil die 20 jaar gevangenisstraf kreeg voor zijn deelname aan de Riffijnse volksbeweging.

Professor Khalid El Bakari zegt dat de bevoegdheden van het ministerie van Justitie Ouahbi niet toestaan om iets te betekenen voor de Riffijnse politieke gevangenen.

El Bakari legt uit: ‘het ministerie van Justitie heeft geen gezag over de rechterlijke macht. Het Openbaar Ministerie valt niet meer onder het ministerie. De tucht, overdracht en bevordering van de rechterlijke macht is niet meer in handen van het ministerie van Justitie maar in handen van de Hoge Raad van de Rechtspraak’. De president van de Hoge Raad van rechtspraak is de koning Mohamed 6.

Al Bakari benadrukte in zijn gesprek met Achkayen dat het ministerie van Justitie nu gezien kan worden als een ‘technische ministerie’ en niet meer als ‘een politieke ministerie’. Hij voegde eraan toe dat het dossier van de Riffijnse gevangenen groter is dan de hele regering, laat staan een ministerie.

Al Bakari sloot af met dat Ouahbi meer kan betekenen voor de Riffijnse politieke gevangenen als voorzitter van PAM en niet als minister. ‘Als een persoon die relaties heeft binnen de koninklijke sfeer kan hij optreden als bemiddelaar en niet als minister’, aldus de professor.