Fati Benkaddour over de dubbele nationaliteit

Toen ik ‘Hoe overleef ik Nederland?’, een hulpgids voor Marokkaans-Nederlandse jongeren, schreef, ondervond ik persoonlijk hoe problematisch een dubbele nationaliteit kon zijn. In het eerste hoofdstuk schreef ik over identiteit.

Daarin liet ik me kritisch uit over het Marokkaanse regime en besprak ik de geschiedenis van de kolonisatie van Noord-Afrika en hoe de huidige dynastie samenwerkte met de Europese koloniale machten.

Toen ik kort na de publicatie van het boek naar Marokko ging, merkte ik dat ik angst voelde. Ik was bang dat ik gezien zou worden als een vijand van de staat en dat ik opgepakt zou worden.

Het schrijven van het boek heeft ervoor gezorgd dat ik nog meer ging nadenken over de dubbele nationaliteit. Ik denk graag na en ik zet vaak vraagtekens bij dingen. Als psychotrauma therapeute kijk ik altijd naar de lagen in de mens.

Ik besefte dat de geschiedenis van de Marokkaanse natiestaat ook direct verbonden is aan mijn geschiedenis. Ik ben opgevoed door mijn stadse moeder, mensen die zich graag associëren met ‘Arabisch zijn’ en met wie ik een zeer moeilijke relatie had. Ze leerde mij de Marokkaanse mix-taal: Derija: een verbastering van het Tamazight en Arabisch en veel leenwoorden uit het Frans en Spaans.

Mijn Riffijnse vader vond dat we het Tamazight niet echt nodig hadden. Dus hebben we het niet geleerd. Hoe verdrietig is dat? Een volledige taal met een rijke oude geschiedenis niet eigen kunnen maken?

Door de scheiding in mijn achtste levensjaar heb ik mijn vader emotioneel moeten verliezen. Hij is zwaar getraumatiseerd en ik weet dat dat direct te maken heeft met alles wat hij mee heeft gemaakt in Marokko als kind en later als jong volwassene. Zijn vader, mijn opa was altijd betrokken in oorlogen in de Rif, en werd ook gerekruteerd als soldaat om te vechten in Europa in de Tweede Wereldoorlog. Ze noemen hem Chahbar, wat blonde betekent. Mijn halfzusje is naar hem vernoemd: Chahbarra.

Mijn god, wat deed de Marokkaanse consulaat in Nederland daar moeilijk over. Want Amazigh namen waren verboden om te geven aan een kind. Mijn vader heeft het toch kunnen doordrukken. Kijk, dat is een Riffijn! daar stam ik van af. We zijn uiteindelijk onbreekbaar.

Het regime heeft zich gekeerd tegen haar burgers in de Rif wat resulteerde in moorden en verkrachtingen. Mijn vader is toen ook zijn moeder verloren aan kanker. Hij was 12 en zij 32. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van de door de Spanjaarden gebruikte gifgassen in de oorlog tegen de Riffijnen.

Het trauma van mijn vader resulteerde weer in trauma voor mij, transgenerationeel trauma. Ik vind het prima als anderen zich Marokkaan willen noemen, maar voor mij is de Marokkaanse nationaliteit een erkenning van een staat of een regime waar ik niet achter sta. Een regime dat een overblijfsel is van het kolonialisme en veel mensen pijn heeft gedaan en nog steeds doet.

Dat wil niet zeggen dat ik me Nederlands voel. Ik weet niet eens wat dat betekent: ‘Nederlands voelen’. Ik voel me hier meer een tweederangsburger door de discriminatie. Ook dat is trouwens transgenerationeel trauma: mijn vader verliet Marokko omdat het hem onleefbaar gemaakt werd, waarna ik dus geboren werd in Nederland als een vreemde eend in de bijt en maar even mijn identiteit moest gaan uitvogelen.

Wel vind ik dat Nederland mij de vrijheid kan bieden op autonomie en zelfonderzoek; ik kan zelf mijn eigen identiteit bepalen. Een opgelegde nationaliteit is een inbreuk op die autonomie. Ik vind dat Nederland daar wel in moet optreden. Nederland is verantwoordelijk voor haar burgers en hun vrijheden. Nederland hoort zich te ontfermen over mensen die de keuze willen om de verbintenis aan dat regime te verbreken.

Geschreven door Fati Benkaddour, schrijfster en docente.

Dit artikel is een aanvulling op de bijdrage van Fati Benkaddour in de Volkskrant vandaag. Lees het artikel via de volgende link: ‘Ik bén gewoon geen Marokkaan’ – Kamer buigt zich over omstreden dubbele nationaliteit van Marokkanen