Opiniestuk: “Awbach” is geen geuzennaam

© archiefcollectie Marokko Bulletin

Vandaag is “dekoloniaal denken” zeer populair, ook is er een overvloed aan nieuwe literatuur daarover. Verschillende groepen in de samenleving verzetten zich tegen sporen van onderdrukking die het koloniaal verleden heeft achtergelaten. Er zijn groepen die dat goed doen. Toch is het opmerkelijk welke politieke verhoudingen en termen bepaalde initiatieven al of niet problematiseren. In dat rijtje staat een Belgisch initiatief genaamd Awbash Book Club die door de term “awbach”, verwijzend naar de gebeurtenissen van 1984, wil “reclaimen” of terugvorderen. Dat niet om de geschiedenis te herstellen, maar om Riffijns leed zonder diepgaande kennis te betrekken op alle minderheden in België, omdat awbach een stoere betekenis zou hebben. Daarom is het noodzakelijk om wat feiten te inventariseren, want dat deugt natuurlijk niet!

Riffijns studentenprotest
Studentenactivisme heeft wereldwijd een lange geschiedenis, waarvan de hoogtepunten plaatsvonden gedurende de revolutionaire periode tussen de jaren 50 tot eind jaren 80. bv. de Parijse Studentenrevolte in 1968. Studenten waren toegewijd aan sociale gelijkheid en demonstreerden tegen allerlei vormen van onderdrukking, zoals seksisme, racisme, bezettingen, oorlogen en de klassenstrijd onder het kapitalistisch systeem. Ze streden tegen de dictatuur voor rechtvaardigheid, veranderingen in het onderwijssysteem en betaalbaar onderwijs of collegegeld zonder schulden. Later boekten sommige studenten zelfs veranderingen in het curriculum van hun universiteit. Verschillende regimes trachtten op die manier een einde te maken aan deze studentenbewegingen, want toch hadden ze impact op het gedachtegoed in der tijd, omdat ze een aandrift waren voor actie tegen de heersende macht.

Ook door de Riffijnse geschiedenis heen zijn er tendensen van studentenbetogingen en studentenbewegingen, die dezelfde eisen hadden uit die tijdsgeest en zich gingen organiseren. Op 5 januari 1984 sloten Riffijnen uit alle sociale lagen, zoals arbeiders, zich aan bij de studenten en trokken tezamen de straten op. Dat omwille van de verslechterde economische situatie, die werd gekenmerkt door het begin van Marokko’s uitvoering van het structurele aanpassingsbeleid, het Internationaal Monetair Fonds, met als gevolg drastische prijsverhogingen van goederen voor levensonderhoud en de toepassing van extra schoolgeld. Het Ministerie van Nationaal Onderwijs kondigde dat jaar namelijk aan dat studenten voortaan verplicht waren 50 DH te betalen om deel te kunnen nemen aan de examens Baccalaureaat. En dat studenten 100 DH inschrijfgeld moesten betalen aan de universiteit.

De Marokkaanse politieke partijen uit alle hoeken van het politiek spectrum waren niet in staat om strijd te leveren aan deze crisispolitiek. Sterker, de politieke partijen en vakbonden namen afstand van de volksopstanden om hun privileges in het Allawitisch paleis niet te verliezen. Zelfs de kandidaten uit de zogenaamde communistische partijen, zoals P.P.S., die een zetel kregen in het parlement, waren rijke notabelen en grootgrondbezitters.

Bloedige reactie Makhzen
Op donderdag 19 januari 1984 werden Nador, Al Hoceima en andere steden in Arif binnengevallen door de troepen van Hassan II met tanks. De protesten werden beantwoord met repressie en willekeurige burgers, waaronder jonge kinderen, werden op afschuwelijke wijze neergemaaid door bloedige machinegeweren van Marokkaanse soldaten. Er vonden grootschalige arrestaties plaats, waarbij honderden doden vielen in de opstand. Vele kinderen en jongeren verdwenen spoorloos op klaarlichte dag. De inwoners werden neergeschoten of gemarteld en zelfs levend begraven in massagraven.

Niemand wist precies wat er aan de gang was in Arif. Buitenlandse journalisten kregen geen toestemming om uit Casablanca te vertrekken om verslaggeving te doen. Alleen ooggetuigen, zoals naar Europa teruggekeerde arbeiders, maakten melding van de gruweldaden die ze hadden gezien. Na persconferenties van Marokkaanse arbeidersorganisaties in Europa publiceerde Le Monde vanaf 20 januari hierover. Ze konden geen onderzoek uitvoeren via hun eigen verslaggevers, omdat ze in 1983 tijdens de affaire van de moord op Ahmed Dlimi, die aan het hoofd stond van de Marokkaanse geheime dienst, het land werden uitgezet.

Toch kwamen er signalen naar buiten, die via Melilla de Spaanse krant El Pais hadden bereikt. Zij deden verslag waarin stond dat er 200 tot 300 doden gevallen waren. De cijfers van het aantal gewonden die opgenomen waren in Spaanse ziekenhuizen werden immers niet bekend gemaakt vanuit voorzichtigheid om de relatie tussen het Allawitisch Koninkrijk en Spanje niet te schaden. Daarom is het moeilijk om een volledig en gedetailleerd perspectief te krijgen van de exacte cijfers van Riffijnse martelaars die omkwamen in januari 1984.

Beruchte toespraak dictator Hassan II
Drie dagen later op 22 januari hield Hassan II een toespraak op de nationale televisie inzake de protesten, waarin hij het volgende verkondigde: ‘Zijn jullie kinderen geworden? Zijn we tot dit niveau gezakt? Dit komt door “awbach” (schooiers). De awbach uit Nador, Al Hoceima, Tétouan, Ksar-el-Kebir. Het werkloos tuig dat leeft van smokkel en diefstal. De mensen in het noorden kenden mij als kroonprins! Zij dienen Hassan II te kennen, zoals zij gewend waren hem te kennen. In het algemeen ken ik jullie niet en jullie mij niet. En het is beter dat ze Hassan II niet kennen op dat gebied.

Hassan II herinnerde de Riffijnen daarmee aan de massamoord die hij leidde tussen 1958-1959. De toenmalige kroonprins had een barbaars leger bestaande uit 20.000 Marokkaanse soldaten die Arif binnenviel. Tijdens de Rif-opstand gingen Riffijnen protesteren tegen de onderdrukking, liquidaties, marginalisatie en voor de terugkeer van Abdelkrim El Khattabi en zijn familie uit hun ballingschap in Caïro. De opstand werd toen geleid door Mohamed Nerhaj Sellam Amezian en werd hevig onderdrukt door het Marokkaanse leger dat gebruik maakte van vliegtuigen type Morane, bestuurd door Marokkaanse piloten en bewapend met machinegeweren en raketten die het Allawitisch Koninkrijk verkreeg met Franse hulp. Over deze periode maakte filmmaker Tarik El Idrissi in 2014 de documentaire RIF 58-59 Briser le Silence (de documentaire onderging de nodige censuur).

Wat we uit deze periode vast kunnen stellen is dat er duizenden doden vielen, duizenden gewonden, 8420 gearresteerden, die meegenomen werden als politieke gevangenen in de geheime gevangenissen van Hassan II. Deze periode, 30 jaar na het begin van de Rifoorlog, markeert een donker hoofdstuk in het collectief geheugen van Riffijnen, omdat gruwelijke buitengerechtelijke executies gepleegd werden door Marokkaanse soldaten die uitbundig geweld voerden tegen het Riffijns volk. Ze pakten hen hardhandig aan en pleegden allerlei oorlogsmisdaden, zoals bombardementen, verkrachtingen van Riffijnse vrouwen, executies, ontvoeringen en allerlei gruweldaden. Gelijke repressieve patronen uit deze geschiedenis herhalen zich opnieuw, met name tijdens de Riffijnse volksbeweging, waardoor in Arif inmiddels 100 jaar onrust heerst.

De beeldvorming van Riffijnen als uitschot van de samenleving
Het is van essentieel belang dat jongeren uit de diaspora gestimuleerd worden zich te verdiepen in deze geschiedenis die impact heeft op hun heden. We moeten (Riffijnse) jongeren (uit de diaspora) actief betrekken om politiek bewustzijn te ontwikkelen, ook om hen tijdig alert te stellen voor verscheidene onderdrukkende instrumenten die de Lange Arm van Rabat uitoefent op ons in Europa.

Zo is er sinds de laatste paar maanden alweer sprake van escalerende repressie in het Allawitisch Koninkrijk. Jongeren mogen o.a. durven hun dubbele nationaliteit te problematiseren die een beperking vormt op hun beroep, praktijk en simpelweg op de vrijheid, én die van hun nakomelingschap. Men is naïef als men denkt dat het regime van Mohammed VI geen invloed heeft op ons. We zien dat verschillende zogenaamde Belgische socialistische politici zoals Rachid Madrane en Fouad Ahidar tewerkgesteld zijn door het Allawitisch paleis en actief navigeren in ongewenste buitenlandse inmenging. Ook de recente berichtgeving omtrent de hechtere samenwerkingen tussen de Nederlandse en Marokkaanse politie zouden als zorgwekkend beschouwd moeten worden.

Term Awbach is dehumaniserend
De term “awbach” komt uit het Arabisch en betekent tuig, schooiers, gespuis, ongedierte of uitschot van de samenleving. In Marokko heeft dit woord directe associatie met het fascistische discours van Hassan II jegens Riffijnen. Deze term heeft een beeldvorming gecreëerd die diepgeworteld zit in het collectief geheugen van de nationale eenheid van het Allawitisch Koninkrijk. Het is noodzakelijk om de problematische connotatie van de term te begrijpen door de historische verbanden. Echter niet uitsluitend via de letterlijke betekenis van het woord, maar vooral door het moorddadig project dat schuilt achter de retoriek van Hassan II, waarvan de ernst van gevolgen niet onderschat mag worden. Tot op heden is awbach de favoriete belediging van Marokkaanse fascisten om te benadrukken dat Riffijnen tweederangsburgers zijn en zullen blijven.

Awbach werd trouwens doorheen de Arabische geschiedenis als term gebruikt door heersers om groepen, bijvoorbeeld vluchtelingen, te karakteriseren als bandieten en vuil van de maatschappij. De term werd ook gebruikt tijdens de Libanese Burgeroorlog waarin Ḥurrās al-Arz, een radicale anti-Palestijnse en anti-Syrische christelijke Libanese politieke beweging die banden legden met het Israëlische leger, verkondigde rond 1983: ‘Awbach, het uitschot, hen doden is een taak van de beschaving! Het is de plicht van iedere Libanees om een Palestijn te vermoorden!’

Ondanks Marokko een oude traditie kent van het denigreren en vernederen van de massa markeert het vonnis van Hassan II de marginalisering van Arif en het gebruik daarvan vandaag toont aan dat het discours van Hassan II nog springlevend is.

Het echte debat moet gaan over de misdaden van de Makhzen
Vandaag zijn er populaire debatten en studies omtrent “diasporic identity”, d.w.z een duale identiteit ten gevolge van migratie waardoor men zich zowel associëert met het land van herkomst, etnische cultuur en/of moedertaal als met het vestigingsland. Ook omtrent “belonging”. Deze sociologische term slaat op het begrip “thuis” en de meervoudige en complexe relatie ervan met ideeën over identiteit en cultureel toebehoren. Natuurlijk houden deze concepten de tweede en derde generatie bezig waardoor hieromtrent een stijgende populariteit is aan literatuur en evenementen. Zo zijn er initiatieven in deze discours die zich hiervoor willen inzetten met mensen uit verschillende gemeenschappen die dezelfde gelijkaardige gevoelens of worstelingen ervaren.

Binnen dezelfde colloquium heerst er ook een populariteit van “reappropriation”. Taalkundigen omschrijven reappropriation of herprofilering als culturele proces, waarbij een groep mensen woorden “reclaimt” of terugvordert die vroeger werden gebruikt op een manier die denigrerend was voor die groep. Het is een specifieke vorm van een semantische verandering, d.w.z. een verandering in de betekenis van het woord.

Er is een groep mensen die daarom bijvoorbeeld bepaalde culturele ideeën of omstreden termen wil terugvorderen om juist progressieve vooruitgang te boeken. Zo probeert bijvoorbeeld Awbash Book Club dat te doen. De wereld op z’n kop!

Het is nog lang niet aan de orde om verse sporen van fascistische regimes te “reclaimen”. Het beleid van Hassan II is weliswaar nog lang niet dood genoeg! De beslissing van Awbash Book Club die doet aan “community building” om de betekenis van de term om te slaan, betekent niet dat we als gehele collectief in staat zijn ons te ontdoen van deze negatieve beeldvorming die geworteld is in de bloedige Jaren van Lood. Het proces van politieke bewustwording is niet vanzelfsprekend. Vele Riffijnse (groot)ouders voelen zich bijvoorbeeld niet eens comfortabel om hun pijnlijke verhalen te delen met ons. Dus hoe komt het dat sommigen uit de tweede, derde en misschien wel vierde generatie zich genoodzaakt voelen Allawitische afgunst en minachting te omarmen en te betrekken op mensen uit andere gemeenschappen die weinig of geen kennis hebben van Riffijnse strijd?

Men is vandaag uitgesproken voor een zogenaamd dekolonisatieproces, die ingaat tegen reproductie van terminologie geïntroduceerd door Europese bezetters. Het is daarom toch opmerkelijk welke politieke verhoudingen en termen zulke initiatieven al of niet problematiseren? Awbach is net zo stigmatiserend als “makak”. Dat is een racistisch scheldwoord in het Vlaams die Noord-Afrikanen verdierlijkt. Dus waarom moet men “intercultureel” fascisme dat ernstige discriminatie teweeggebracht heeft, wél accepteren?
De ernstige gevolgen door de brutaliteit van het Allawitisch Konkinkrijk mogen niet geminimaliseerd worden, omdat reappropriation plots trendy is volgens Instagram-politiek. Het is trouwens onwaarschijnlijk dat de opvattingen van degenen die beledigingen willen uiten gemakkelijk kunnen worden veranderd. Reappropriation is geen bescherming tegen groepsvernedering, want het houdt in deze context de idee in stand van Riffijnen als onbeschaafden. “Awbach” is geen geuzennaam!

Ook de Spaanse bezetters in de jaren 20 van de vorige eeuw creëerden een iconografie van Riffijnen. Verschillende tekenaars maakten karikaturen van kinderen, vrouwen en mannen, die aapachtig afgebeeld werden en waarbij de opstandigheid en subversiviteit van Riffijnse strijders benadrukt werden in de tekeningen. Riffijnen bestonden ook in de Spaanse verbeelding als wilde, ongeciviliseerde, barbaarse, achterlijke wezens. Bovendien zijn de tekeningen racistisch. Wat de term awbach later in de geschiedenis doet, is exact deze stereotypen bevestigen.

Politieke gevangenen uit Arif, die veroordeeld zijn met celstraffen van 20 jaar, worden gedwongen Arabisch i.p.v. Tarifit te spreken met hun families aan de telefoon en worden tot slot uitgescholden als awbach. Persoonlijk geloof ik ook hierdoor niet dat deze vorm van geïmporteerde Instagram-politiek uit Amerika ons volk in Arif zal emanciperen, noch haar diaspora.

We staan als gemeenschap nog niet eens op het punt debatten te voeren over belangrijke onderwerpen zoals intergenerationele trauma, details over de medische gevolgen van chemische aanvallen met mosterdgas 100 jaar geleden in Arif en extreme percentages borstkanker bij Riffijnse vrouwen. Er is inzake basis mensenrechten nog veel werk aan de winkel in het Allawitisch Koninkrijk.

Mensen met deze diasporic identity uit het Westen die hun eigen ontmenselijking willen terugvorderen, bewijzen dat ze feitelijk geen belangstelling hechten aan de serieusheid van repressie. Daarmee ondermijnen zij enkel de prioriteiten van de strijd tegen onderdrukking. Er zijn genoeg krachtige slogans van het volk of uit solidariteit met andere onderdrukte volkeren waaruit je kan kiezen en als je er geen vindt, dan verzin je er simpelweg nieuwe.

Opiniestuk door Dihya Tagrawlit

Overweeg een donatie te plaatsen om onze website te helpen onderhouden en verder te ontwikkelen.